Uitzenders krijgen in 2022 te maken met strengere regels. Verplichte certificering lijkt onvermijdelijk en de contractflexibiliteit van uitzendkrachten wordt ingeperkt. De ABU en de NBBU staan daar welwillend tegenover, maar wijzen op het grote belang van uitzenden op de moderne arbeidsmarkt. “Het moet wel mogelijk blijven om in deze sector te ondernemen.”

Iedereen is het erover eens dat hervorming van de arbeidsmarkt nodig is en het komende kabinet zal dus met nieuwe wetgeving moeten komen. De nieuwe minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) begint gelukkig niet bij nul; hij zal linksom of rechtsom invulling gaan geven aan de aanbevelingen van de Commissie Borstlap en in het verlengde daarvan het SER-advies en – ook zeer relevant voor de uitzendbranche – de voorstellen van het Aanjaagteam Arbeidsmigranten (commissie Roemer). Wat gaat het nieuwe kabinet daarvan overnemen? De brancheorganisaties ABU en de NBBU kijken met spanning uit naar wat politiek Den Haag in 2022 voor uitzenders in petto heeft.

Verplichte certificering komt eraan

Er is een wildgroei aan uitzendbureaus en de foute uitzenders moeten harden worden aangepakt – daarover is geen discussie. In 2019 pleitte Frank van Gool van OTTO Work Force, een van de grootste bemiddelaars in arbeidsmigranten, zelfs voor herinvoering van de uitzendvergunning. Daar zijn de brancheorganisatie echter geen voorstander van.

De SER adviseert om in plaats van een uitzendvergunning een verplicht certificeringssysteem in te richten om malafide praktijken in de uitzendsector tegen te gaan. Dat kan bij de ABU en de NBBU op meer steun rekenen. Koops: “Wij kunnen en moeten er als uitzendbranche ook zelf meer aan doen om malafiditeit tegen te gaan. Wij hebben als ABU anderhalf jaar geleden al een 14-punten plan voorgesteld en willen in 2022 die kwaliteitsslag doorzetten, onder meer door de lidmaatschapscriteria aan te scherpen. Ook een verplichte overheidscertificering past daarbij.”

Lees ookcertificering uitzendbureau? Altijd doen!

NBBU

Marco Bastian (NBBU)

Arbeidsmigranten

De SER heeft het voorstel voor invoering van een verplichte certificering voor uitzendbureaus overgenomen van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten onder leiding van Emile Roemer. En dat is ook de reden dat Bastian hier kritisch tegenover staat. “Roemer spreekt over verplichte certificering om arbeidsmigranten te beschermen, nu slaat het terug op de hele sector. We moeten oppassen dat de goeden niet onder de kwaden gaan lijden. Vergeet niet dat er een heel grote groep is die het prima doet. Er zijn veel goedwillende, gepassioneerde uitzendondernemers – als die ook hard worden geraakt door strengere regels voelt dat niet rechtvaardig.”
Koops plaatst daarbij overigens de kanttekening dat certificering inderdaad uit de koker van Roemer komt – en dus in principe voor bemiddeling van arbeidsmigranten is bedoeld – maar dat deze groep inmiddels bijna een derde van alle uitzendkrachten vormt, en dat hun aantal de komende jaren alleen maar zal groeien.

Niet meer regels, wel betere handhaving

Bastian benadrukt dat de NBBU niet tegen verplichte certificering is. “Wij doen volop mee, maar de snelheid baart ons zorgen. Het is een complexe materie en het is dus de vraag is hoe het in de praktijk gaat uitwerken. Het zou wel eens nadelig kunnen uitpakken voor startende uitzendondernemers.”
Verschil met het SER-advies is ook dat de brancheverenigingen meer zien in zelfregulering en de oplossing zoeken in SNA-certificering, terwijl men in Den Haag eerder kijkt naar een andere, wettelijke invoering.
Nog belangrijker dan de vorm van certificering vinden Bastian en Koops de handhaving. Uiteindelijk is handhaving de enige manier om malafiditeit te bestrijden, vinden zij. Koops: “Certificering kan in potentie het kaf van het koren in de uitzendbranche scheiden. Dat kan alleen als er een waterdicht certificeringssysteem komt met voldoende capaciteit voor controle en handhaving.” Conclusie: liever niet nog meer nieuwe regels, maar betere handhaving van de bestaande regels.

Lees ook: ABU en NBBU zeer positief over SER-advies

Contractflexibiliteit uitzenden inperken

Eén van de belangrijkste wijzigingen die de SER voorstelt is het verkorten van de flexibele contractduur van uitzendkrachten van 5,5 naar 3 jaar. Het voorstel is: de flexibiliteit van het uitzendbeding (fase A) terugbrengen van 78 weken naar maximaal 52 weken. En in de fase erna (fase B) maximaal zes contracten voor bepaalde tijd in twee jaar.

Je zou kunnen verwachten dat de ABU en de NBBU niet positief staan tegenover deze beperking van de contractflexibiliteit voor uitzendkrachten. Maar het tegendeel is waar. “Een aantal onderdelen uit het SER-advies brengen we vanaf 1 januari al in de praktijk. Dus we lopen voor de troepen uit”, zegt NBBU-directeur Marco Bastian. Begin augustus hebben de ABU en de NBBU namelijk laten weten uitzendkrachten vanaf 2022 meer en sneller zekerheid te bieden door inderdaad de fase A te verkorten van 78 naar 52 weken en fase B van 4 naar 3 jaar. ABU-directeur Jurriën Koops zegt hierover: “Wij zitten ook niet te wachten op uitzendkrachten die langdurig in fase A blijven hangen. We willen gewoon invulling geven aan het SER-advies. Daar past een kortere periode van het ter beschikking stellen van uitzendkrachten op tijdelijk contract bij. Vanaf 1 januari hanteren wij voor fase B alvast 3 jaar en op termijn de 2 jaar die de SER voorstelt.”

Inmiddels heeft de ABU half november – en de NBBU een week later – een akkoord bereikt met de vakbonden FNV, CNV en de Unie over een nieuwe CAO voor Uitzendkrachten waarin inderdaad deze inperking van de contractflexibiliteit voor uitzendkrachten is opgenomen.

 

Jurrien Koops (ABU)

Jurriën Koops (ABU)

Goed evenwicht nodig

Het is natuurlijk maar de vraag wat het nieuwe kabinet daadwerkelijk gaat overnemen uit de aanbevelingen van Borstlap en het SER-advies. En hoe uitzenden er de komende jaren voor zal komen te staan hangt daarvan af. Zowel de ABU als de NBBU zien natuurlijk liever een grotere rol weggelegd voor uitzenden dan de beperking tot ‘ziek en piek’ zoals Borstlap voorstelt. Wel zijn zij dus voor een kortere tijdelijke contractduur voor uitzendkrachten, zoals de SER wenst. Onder voorwaarden, stelt Koops. “Want de consequentie van de uitwerking van het SER-advies is een hogere beprijzing van uitzenden. Bij de uitvoering van de SER-voorstellen moet er dan ook sprake zijn van gelijktijdigheid. Ook voor andere vormen van flex, zoals de ongereguleerde zzp-markt, moet worden aangepakt zodat er geen waterbedeffect optreedt. Er moet een integrale arbeidsmarkthervorming komen anders vallen de polderovereenkomsten uiteen. Maar ik heb ook goede hoop dat dat gaat gebeuren.”

Bastian sluit zich daarbij aan. “Het is tot nu toe wel heel erg veel beperken, beperken en nog eens beperken. En de uitzendbranche is al een van de zwaarst gecontroleerde sectoren. Nog meer regelgeving kan verlammend werken voor de creatieve ondernemers in de uitzendbranche.” Bastian rekent dan ook op een ‘luisterend oor’ in Den Haag. “Er moet een goed evenwicht komen. Het moet wel mogelijk blijven om in deze sector te ondernemen.”

Wensen en verwachtingen

De belangrijkste uitdaging in 2022 is de krapte op de arbeidsmarkt (zie kader). En juist aan het oplossen hiervan levert de uitzendbranche een belangrijke bijdrage, stelt Koops: “Hoe krijgen we mensen zo ver dat ze meer (uren) gaan werken? Hoe kunnen we uitzendkrachten vaker doorplaatsen? Dat zijn in 2022 de zaken die op de dashboards van uitzenders staan. Gelukkig biedt een arbeidsmarkt met veel frictie altijd kansen voor intermediairs.”
Bastian hoopt daarnaast dat de rol van uitzenders meer wordt erkend in het arbeidsmarktdebat. “Mijn wens voor 2022 is dat de negativiteit over uitzenden stopt. Dat mensen beseffen hoe levensveranderend het werk van een intercedent kan zijn. Hoe blij zij zijn als ze iemand aan een baan hebben geholpen en hoe blij die uitzendkracht is. Intercedenten die bloemen krijgen en uitzendkrachten die bij een plaatsing taart komen eten op de uitzendvestiging – dat gebeurt gelukkig nog steeds.”

Bron: Flexmarkt 2 december 2021